Zaterdag 16 mei verscheen in De Standaard een opmerkelijk dubbelinterview. Lode Ceyssens, voorzitter van Boerenbond, en Noah Janssen, algemeen directeur van Natuurpunt – twee organisaties die in de publieke beeldvorming vaak tegenover elkaar staan – pleitten samen voor een heffing op zonevreemde functiewijzigingen. Een bijdrage van wie een vrijgekomen hoeve omvormt tot residentie of paardenhouderij, in plaats van haar agrarisch te laten of terug aan de natuur over te dragen.

De reacties lieten niet lang op zich wachten. In dagen tijd ontspon zich een breed maatschappelijk debat – over het voorstel zelf, en vooral over de term fermettetaks die in de pers vrijwel onmiddellijk geplakt werd op wat de twee voorzitters een bijdrage hadden genoemd.

Bij mezelf bleef ondertussen iets anders knagen. Niet de framing, niet de term. Maar wat in het interview zelf níet gezegd werd. Boerenbond en Natuurpunt formuleerden samen een instrument – een heffing – voor zonevreemde functiewijziging. Wat ze niet samen formuleerden, was een visie op welke open ruimte ze met dat instrument wilden beschermen.

Eerlijk: ik had van Natuurpunt een krachtiger kritische kanttekening verwacht bij de Boerenbondvisie op open ruimte. Iets wat verder ging dan een verwijzing naar akkervogels. De ruimte die Boerenbond bewaakt, is in eerste instantie agrarische productieruimte. Dat is een legitieme invulling, maar het is niet noodzakelijk de invulling van Natuurpunt – en het is niet vanzelfsprekend de invulling van een samenleving die ook met klimaatverandering, waterhuishouding, biodiversiteit en plattelandsleefbaarheid worstelt. Dat de twee voorzitters die discussie níet voerden, en in plaats daarvan tot een gezamenlijk instrument kwamen, maakt het instrument bestuurlijk hanteerbaarder. Het maakt het inhoudelijk niet sterker.

Vandaag las ik op LinkedIn een commentaar van onderzoeker Tristan Claus (KU Leuven). Hij wees op die framing-strijd: fermettetaks en openruimtebijdrage zijn twee namen voor hetzelfde, maar ze activeren in het hoofd van de lezer compleet verschillende beelden. De ene roept op tot verzet, de andere tot solidariteit. Wie de term in het debat domineert, wint vaak het debat zelf – nog voor de inhoud aan bod komt.

Hij heeft een punt. Maar bij het herlezen bleef ik haken aan een ander begrip in datzelfde commentaar. Niet taks. Niet bijdrage. Maar open ruimte.

We horen al decennia dat we de open ruimte moeten beschermen, vrijwaren, ontsnipperen, herstellen. Er komen instrumenten op tafel en weer van tafel, framings worden gewogen, partijen positioneren zich. Maar één vraag stelt bijna niemand expliciet: welke open ruimte willen we eigenlijk? En als de vraag al eens gesteld wordt, wordt ze amper beantwoord.

Vijf invullingen die door elkaar lopen

Wie het woord uitspreekt, kan vijf verschillende dingen bedoelen, en meestal kiest niemand expliciet.

Open ruimte als agrarische productieruimte – het Boerenbondframe: hectares die beschikbaar moeten blijven voor wie het land bewerkt, beschermd tegen functieverlies en prijsdruk.

Open ruimte als ecologische infrastructuur – het Natuurpuntframe: doorlopende habitats, robuuste verbindingen, een landschap waar soorten kunnen leven en zich verplaatsen.

Open ruimte als landschap en zicht – het toeristische frame: weidsheid, weidse vergezichten, een polderlucht die we niet kwijt willen, een kustlandschap dat onze bestemming maakt.

Open ruimte als wateropvang en klimaatbuffer – het frame van wie zomers en winters heeft zien veranderen: ruimte voor infiltratie, voor overstromingsgebieden, voor valleien die water kunnen vasthouden.

Open ruimte als woonomgeving – het frame van wie er woont: leefbaarheid, plattelandsidentiteit, het gevoel niet ingebouwd te worden.

Vijf invullingen. Allese vijf legitiem. Allese vijf vertegenwoordigd in beleidsteksten. Maar bijna nooit naast elkaar gelegd, en zelden expliciet gekozen.

Welke van deze vijf invullingen primeert, hangt bovendien af van waar je staat. In de Westhoek, de Vlaamse Ardennen, de Kempen of de stadsrand werkt elke invulling anders door – wat in het ene gebied bescherming heet, kan in het andere uitfasering betekenen.

Het instrument volgt de keuze, niet omgekeerd

Hier wringt het.

Een fermettetaks – of een openruimtebijdrage, of een aanbiedingsplicht voor landbouwgrond – werkt anders bij invulling één dan bij invulling vijf. Een instrument dat agrarische productieruimte beschermt, beschermt niet vanzelf ecologische infrastructuur. Een instrument dat waterbuffering veilig stelt, beschermt niet vanzelf het zicht over het polderlandschap. En een instrument dat plattelandsidentiteit ondersteunt, beschermt niet vanzelf de boer.

Dat is geen detail. Het is het hele gesprek.

Wie het instrument eerst kiest en daarna naar de invulling zoekt, verbouwt zijn huis voordat hij weet of er een éénpersoonshuishouden of een groot nieuw samengesteld gezin in moet wonen. En dat is precies wat in het Vlaamse open ruimte debat al twee decennia gebeurt. We praten in technische termen – hectares, percentages, planologische overdrukken – over een debat dat we maatschappelijk onvoldoende gevoerd hebben: welk landschap willen we eigenlijk doorgeven?

Geen objectief antwoord

Je kunt deze vraag niet met cijfers beslechten. Het is geen technische vraag. Het is een politieke keuze.

Mijn antwoord – en hier neem ik positie, want anders is dit stuk een vrijblijvend lijstje – is dat het géén keuze tussen de vijf hoeft te zijn. Een open ruimte die alleen aan de boer toebehoort, verarmt de samenleving. Een open ruimte die alleen ecologische infrastructuur is, ontkent dat mensen die ruimte ook bewerken en bewonen. Een open ruimte die alleen landschap-voor-de-toerist is, vergeet de mensen die er elke dag wonen en werken.

Multifunctionaliteit is geen compromis dat van alles een beetje doet. Het is een ontwerpkeuze die zegt: deze ruimte moet meerdere dingen tegelijk dragen, en het is onze opdracht om uit te vinden hoe. Wie hier een gemakzuchtige tussenpositie vermoedt, vergist zich. Multifunctionaliteit per gebied uitwerken is moeilijker dan eenduidige keuzes maken, niet makkelijker.

Dat is hard werk. Het vraagt dat we per gebied bekijken welke functies samengaan, welke elkaar versterken, en waar harde keuzes onvermijdelijk zijn. Maar het is een vruchtbaarder gesprek dan de loopgravenoorlog waarin we nu zitten – waarin elke kant de eigen invulling als de juiste presenteert en de andere vier als bedreiging.

De kans van 2026

Vlaanderen werkt aan het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen – het kader dat bepaalt hoe we de ruimte in Vlaanderen voor de komende decennia willen indelen. Er is een dialoognota, er komen ontwerpfases, advisering, openbaar onderzoek. Op papier is dat een technocratisch traject. In werkelijkheid is het bij uitstek de plek waar we de vraag “welke open ruimte willen we” publiek kunnen voeren.

Niet als een gesprek tussen experten over hectares. Maar als een gesprek tussen burgers, boeren, natuurliefhebbers, watersystemenbeheerders, plattelandsbewoners, en alle anderen die in en met die open ruimte leven. Een gesprek dat begint met de invullingen en niet met de instrumenten. Dat de keuze tussen die invullingen niet wegmoffelt achter compromiscijfers, maar expliciet voert.

Dan, en pas dan, kunnen we het over fermettetaksen en openruimtebijdragen hebben. Niet als losse instrumenten die we afzonderlijk afwegen, maar als gereedschappen voor een gezamenlijk gekozen toekomst.

Tot we die keuze maken, blijft elk instrument een symbool. En blijft elk debat erover hangen in framing – terwijl het werkelijke werk niet wordt gedaan.