Triazolen in ons drinkwater: een tijdelijke uitzondering mag geen nieuw normaal worden
Drie vragen die elke Westhoekburger zich stelt: is mijn water veilig, wie is verantwoordelijk, en wanneer wordt dit opgelost?
Elke ochtend draaien duizenden Westhoekgezinnen dezelfde kraan open. Niemand controleert eerst de waterkwaliteit. We vertrouwen erop dat wat eruit stroomt, voldoet aan de hoogste norm die we als samenleving hebben afgesproken. Dat vertrouwen vormt de kern van ons beleid.

Waterproductiecentrum De Blankaart
Als sociaal-democraat geloof ik dat iedereen recht heeft op een gezonde leefomgeving – in een villa of in een sociale woning, in de stad of op het platteland. Dat is geen privilege, het is een grondrecht. En drinkwater is daar het meest tastbare voorbeeld van: elke ochtend draait u die kraan open. Het water uit die kraan moet u kunnen vertrouwen.
Vanuit die overtuiging volg ik het triazoolddossier met groeiende bezorgdheid. Er ligt nu een wetenschappelijk rapport op tafel dat duidelijke taal spreekt. Wij als beleidsmakers zijn verplicht daar consequenties aan te verbinden.
Eerst de cijfers
Triazool is een stof die opduikt in ons drinkwater in de Westhoek. Ze is afkomstig uit industriële lozingen, ziekenhuisafvalwater en gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw. De wettelijke norm zegt: maximaal 0,1 microgram per liter. Die norm wordt overschreden. De overheid heeft een tijdelijke uitzondering toegestaan tot 1 microgram.
Dan volgt onvermijdelijk de vraag die ik ook bij burgers hoor: “Als het toch veilig is, waarom doen jullie dan zo moeilijk?” Het is een eerlijke vraag. Maar het antwoord is cruciaal.
Die 0,1 microgram is geen grens tussen gevaarlijk en veilig. Het is een kwaliteitsgrens, een kompas. Hij zegt niet “hier word je ziek”, hij zegt “hier begint het probleem”. Zowel het Vlaamse Departement Zorg als het Franse voedselagentschap ANSES bevestigen dat: het gaat om een kwaliteitsindicator, geen gevaardrempel. Die grens is historisch bewust zo laag gezet. Want wie zou er ooit voor pleiten om gif in ons drinkwater toe te laten?
Laat me er meteen iets bij zeggen: ik pleit er niet voor om morgen de watertoevoer af te sluiten. Een tijdelijke afwijking kan verdedigbaar zijn. Maar dan moet ze ook écht tijdelijk zijn; met concrete stappen, meetbare doelen en echte verantwoording. Mijn bezwaar is niet de uitzondering zelf. Wel een uitzondering zonder deadlines en zonder ijkpunten.
Het rapport dat de spelregels verandert
Tot voor kort kon je de vervuiling nog afschilderen als een diffuus probleem zonder duidelijke oorzaken. Dat argument is nu voorbij. De Watergroep heeft zelf onderzoeksbureau VITO ingeschakeld om de herkomst van triazolen in kaart te brengen.
De resultaten zijn duidelijk. In het waterproductiecentrum De Blankaart werden concentraties gemeten tot 0,7 microgram per liter. Bij zeven voedselverwerkende bedrijven in de regio werden overal triazolen aangetroffen. Bij de rioolwaterzuiveringsinstallaties gold hetzelfde. Zelfs in het afvalwater van het regionaal ziekenhuis dook de stof op, een aanwijzing dat zelfs de gezondheidszorg onbedoeld bijdraagt. En in Dikkebus en Zillebeke wijst het rapport op landbouw als dominante bron.

Dit zijn geen vage vermoedens meer. Dit zijn meetbare bijdragen, per sector, op papier. En dat roept een ongemakkelijke vraag op: als we weten welke activiteiten bijdragen aan de vervuiling van ons drinkwater, wat houdt ons dan tegen om daar als samenleving eerlijk over te zijn?
Die vraag stel ik niet om bedrijven of boeren aan de schandpaal te nagelen. Veel van wat hier gemeten is, gebeurde binnen de geldende vergunningen. En net dat is het probleem: niet de individuele actor heeft gefaald, maar het systeem van regels dat dit blijkbaar toeliet. Dat systeem moet worden bijgesteld. Want het is niet omdat iets legaal is, dat het daarom ook verstandig is.
Ons lichaam drinkt het geheel
Laten we even stilstaan bij een argument dat u misschien al gehoord heeft: de gemeten triazoolwaarden liggen fors onder de gezondheidskundige norm, de grens waarbij toxicologen schadelijke effecten op de gezondheid verwachten. Dat klopt, maar die norm is vastgesteld per stof, in isolatie. En in onze waterlopen komen tientallen stoffen samen: resten van bestrijdingsmiddelen, industriële lozingen, medicijnresten, meststoffen. Ons lichaam drinkt geen afzonderlijke stoffen. Ons lichaam drinkt het geheel.
We weten dat stoffen elkaars werking kunnen versterken, dat een combinatie een groter effect kan hebben dan de som der delen. Een peuter van twee jaar reageert gevoeliger op zo’n gemengde blootstelling dan een gezonde volwassene. Wat we niet weten, is hoe groot dat effect precies is op lange termijn. Wie zich op de gezondheidskundige norm voor triazolen beroept om elke zorg weg te wuiven, vergeet dat ons lichaam nu eenmaal geen laboratoriumomgeving is. Die onzekerheid is geen reden tot geruststelling. Het is een reden tot voorzichtigheid.
Dit is trouwens zwart op wit vastgelegd: de Europese Drinkwaterrichtlijn van 2020 verplicht lidstaten uitdrukkelijk om bij de beoordeling van drinkwaterkwaliteit rekening te houden met de gecombineerde effecten van meerdere stoffen. Europa erkent dus officieel dat stoffen één voor één beoordelen onvoldoende is. Wie dat “alarmisme” noemt, zet zich af tegen het Europese kader waaraan Vlaanderen gebonden is.
Niemand zou zich verplicht mogen voelen om flessenwater te kopen om veilig te kunnen drinken. De 0,1-norm is de concrete vertaling van dat principe. Ze voorkomt dat we uitzondering na uitzondering opstapelen, stof na stof, tot we een situatie normaliseren waarvan niemand meer de gevolgen kan overzien. Dat is een hellend vlak waar ik niet op wil staan.
Wie betaalt dit en voor wie?
Het VITO-rapport bevestigt dat gewone zuiveringstechnieken voor stoffen zoals triazolen, klein, beweeglijk en hardnekkig, simpelweg onvoldoende zijn. Technologische innovatie kan op termijn een aanvulling zijn, maar we mogen ons niet rijk rekenen op oplossingen die er nog niet zijn. De bronaanpak blijft de enige zekere weg.
Ja, bedrijven en boeren handelen binnen de geldende vergunningen en dat mag je niet zomaar wegwuiven. Maar dan stelt zich onmiddellijk de volgende vraag: zijn die vergunningen dan wel goed genoeg? Als legaal handelen structureel leidt tot triazolen in ons drinkwater, dan is dat in de eerste plaats een probleem van de regels zelf, niet van de sectoren die er zich aan hielden. En dáár moet de overheid haar verantwoordelijkheid nemen.
“De vervuiler betaalt” is geen politiek stokpaardje. Het is een principe dat juridisch verankerd is in ons milieurecht. Ik beweer niet dat de aansprakelijkheid al vaststaat. Maar de logica is helder: als onderzoek aantoont dat bepaalde lozingen aantoonbaar bijdragen aan vervuiling van drinkwater, dan moet de overheid haar aanpak daarop afstemmen. Afwachten is geen beleid. En de rekening mag hoe dan ook niet op de waterfactuur van de gewone burger belanden.
De sterkste schouders dragen de zwaarste lasten, niet omgekeerd.
Natuurlijk vragen aanpassingen tijd. Die realiteit erken ik. Maar meer tijd vragen is alleen verdedigbaar als daar harde, controleerbare tussenstappen tegenover staan. Zonder die ijkpunten is een tijdshorizon geen plan. Het is uitstelgedrag met een professioneel gezicht.
Een brug, geen sluipweg
Dit is geen links of rechts verhaal. Het is een verhaal over wat we aan onze kinderen willen doorgeven en over welk landschap we willen over twintig jaar.
Het Vlaams regeerakkoord vraagt om de bescherming van natuurgebieden, waterlopen en drinkwaterwingebieden tegen verontreinigende stoffen zoals zware metalen, pesticiden, nitraten en fosfaten. Ik roep de Vlaamse regering dan ook op om binnen een duidelijke termijn een publiek voortgangsrapport voor te leggen, met meetbare tussendoelen per significante bron. Geen gesloten akkoorden, maar open communicatie over wat er afgesproken is en of het gehaald wordt. Elke Westhoekburger verdient een helder antwoord op drie eenvoudige vragen: is mijn water veilig, wie is verantwoordelijk, en wanneer wordt dit opgelost?
Want zolang er twijfel uit de kraan stroomt, is ons werk niet gedaan.