Dames en heren,

In de gesprekken die ik tussendoor had, was de moedeloosheid soms tastbaar. Mensen die al twintig jaar bezig zijn – en nu het gevoel hebben dat de grond onder hen wegschuift.

En toch ga ik u iets zeggen wat u niet verwacht.

U heeft gewonnen.

Niet volledig. Niet definitief. Maar fundamenteel.

De lepelaar broedt weer in de Blankaart. De boomkikker zingt weer in het Zwin. De bruine kiekendief zweeft weer over de polders bij Veurne. Niet omdat het vanzelf ging – maar omdat mensen zoals u pompen installeerden, water vasthielden, percelen aankochten, nacht na nacht inventariseerden. Er zijn beekvalleien die twintig jaar geleden dood waren en nu leven.

Dat is uw werk.

En dan – nu het beter gaat dan ooit in een mensenleven – wil men u vertellen dat u te ver bent gegaan. Dat het genoeg is geweest. Dat u zich wat rustiger moet houden.

De Europese Green Deal staat onder druk. De natuurherstelwet wordt weggezet als luxe. De kaderrichtlijn water als hinderpaal. En dichter bij huis: het aankoopbeleid van natuurverenigingen dat men aan banden wil leggen. Beheerssubsidies die verdampen. Een juridische muilkorf die wordt klaargelegd.

Maar ik wil u vragen om nog vijf minuten met mij mee te gaan. Want ik denk dat we iets over het hoofd zien.

— — —

Ze hebben altijd gezegd dat het te laat was.

De lepelaar was uitgestorven als broedvogel. De boomkikker verdween uit de duinen. De bruine kiekendief verdween uit de polders.

Uitgestorven. Voorbij. Klaar.

En toch. En toch zijn ze terug.

Niet omdat een minister dat besliste. Niet omdat er een decreet kwam. Maar omdat mensen zoals u – mensen in deze zaal – het niet geloofden. Die bleven tellen, meten, beschermen, pleiten. Die ’s morgens vroeg opstonden om een poel te graven die niemand zag. Die hun weekends gaven aan een bos dat op papier geen toekomst had.

Uitgestorven is geen eindpunt. Het is een tijdelijk adres.

— — —

Maar dan hoor ik u denken: dat was vroeger. Nu zijn de tegenstellingen groter, de wind harder, de middelen schaarser. Dat klopt. Maar er is iets wat ik u wil meegeven.

Vier jaar is genoeg om te slopen wat twintig jaar heeft gekost. Maar het is niet genoeg om ongedaan te maken wat in de grond staat.

Een legislatuur heeft vier jaar. Een eikenbos heeft geen einddatum.

Beleidsmakers komen en gaan. Coalities vallen. Akkoorden worden herschreven. Maar een herstelde beekvallei, een teruggekeerde grutto, een kilometerslange bloemrijke berm – die bestaan. Dat zijn feiten op de grond. En feiten op de grond zijn hardnekkiger dan akkoorden op papier.

— — —

Er is nog iets wat ik wil zeggen. Iets wat misschien het belangrijkste is van deze namiddag.

Moedeloosheid is het enige wat ze écht van u willen.

Denk daar even over na.

Uw ontmoediging kost hen niets. Ze hoeven u niet te verslaan. Ze hoeven u alleen maar te doen stoppen.

Zolang u bezig blijft, zijn zij niet klaar.

Kies dus voor hardnekkigheid.

— — —

En dan wil ik afsluiten met de mensen in deze zaal die ik vandaag het liefst wil aanspreken.

De jongeren hier. Die studeren. Die beginnen.

Kijk naar de mensen naast u. Die al dertig jaar doen wat u nu begint. Die ook ooit in een zaal hebben gezeten en gedacht: het is te laat. Ze zijn te sterk.

Kijk wat ze ondanks dat hebben gedaan.

Nu is het uw beurt.

— — —

Elke hectare die u heeft aangekocht, bestaat.

Ze kunnen de subsidie stopzetten. Ze kunnen het decreet herschrijven. Ze kunnen de juridische weg blokkeren.

Maar een perceel dat in handen is van een natuurvereniging – dat kunnen ze niet terugdraaien. Dat staat in de grond geschreven. Letterlijk.

Uw werk staat op een kaart. En elke keer als er ergens in West-Vlaanderen een zeearend zijn cirkels trekt, of een boommarter door de takken glipt, of een kind voor het eerst een salamander ziet – dan is dat op een plek die u heeft veiliggesteld.

Niemand kan dat ongedaan maken.

— — —

Dames en heren,

U bent niet de verliezende partij in een politiek spel.

U bent de partij die de grond bezit, de kennis heeft, de netwerken beheert en de tijd aan uw kant heeft.

Over veel dingen in dit land zijn mensen het niet eens. Maar over wat we nalaten aan wie na ons komt – daarover, denk ik, zijn we het stiller eens dan we soms denken.

Het enige wat u niet mag doen, is ophouden.

Dankuwel.